Abdij

vrouwelijk (de)/ɑbˈdɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) klooster met aan de leiding een abt of abdis
    De dag daarop waren we aanwezig bij haar kroning en zagen we haar de abdij binnenschrijden over de purperen loper, die voor haar was uitgelegd.
    Hij bestuurde het bisdom van Straatsburg, het rijkste van Frankrijk; hij was een kerkvorst, landgraaf van de Elzas, abt van de grote abdij van Saint-Vaast et Chaise-Dieu, provisor van de Sorbonne, grootaalmoezenier van Frankrijk, directeur- generaal van het koninklijk hospitaal van de „Quinze-Vingts", en commandeur in de orde van de Heilige Geest.

Etymologie

*Afgeleid van abt

Vertalingen

Engelsabbey
Fransabbaye
DuitsAbtei
Spaansabadía, abadiado, abadiato
Italiaansabbazia, badia
Portugeesabadia
Russischаббатство
Japans修道院, しゅうどういん, shuudouin
Poolsopactwo
Zweedsabbotskloster
Deensabbedi