Adem

mannelijk (de)/adəm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) de lucht die levende wezens in zich opnemen en weer uitdrijven
    De benauwde patiënt kreeg geen adem meer.
    Het is de dag voordat de Tour de France de gevreesde helling in de Vogezen aandoet. Liefhebbers klauteren alvast naar adem happend en met knarsende ketting naar boven.
    Plotseling begint mijn hartslagmeter te zoemenm Je hartslag was vanaf .5:03u tien minuten hoger dan 120, staat er op de display. Ik druk hem uit en houd mijn adem in, maar dan verschijnt het hoofd van Gijs om de deur.'Marie-Claire?' 'Ja, ikm Uhh, hoi Gijs ' Ik staar naar het knipperende schermpje om mijn pols, dat inmiddels 122 aangeeft.

Etymologie

* afgeleid van asem

Uitdrukkingen

  • buiten adem zijndoor grote inspanning heel snel en diep moeten ademen, hijgen
  • een lange adem (nodig) hebbeneen groot uithoudingsvermogen (nodig) hebben, heel geduldig zijn
  • op adem komentot rust komen, uitrusten
  • de adem inhoudenzeer gespannen zijn

Vertalingen

Engelsbreath
Franssouffle
DuitsAtem
Spaansaliento
Portugeeshálito
Russischдыха́ние
Chinees呼吸
Japans
Turksnefes
Zweedsandedräkt
Deensånde