Afrikaan
mannelijk (de)/afriˈkan/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) benaming voor planten uit het geslacht behorend tot de composietenfamilie ()
Etymologie
*(geoniem), afgeleid van Afrika , omdat men dacht dat Karel V ze na zijn veldtocht tegen Tunis in 1535 had meegebracht, hoewel deze planten hun oorsprong in Amerika hebben; geschreven met een kleine letter volgens
Vertalingen
Engelsmarigold
Franstagète, tagette
DuitsStudentenblume
Spaansclavelón, damasquina, hierba anís
Poolsaksamitka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek