Albast
onzijdig (het)/ɑl'bɑst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (mineraal) een benaming van twee verschillende mineralen: gips en calciet (of seleniet)Honderden jaren lang hadden ze zich daar beziggehouden met de teelt van druiven en zijderupsen en het uithakken van het albast en het slangesteen waarmee mijn vader werkte.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘gipssoort’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Vertalingen
Fransalbâtre
Spaansalabastro
Italiaansalabastro
Russischалебастр
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek