Angel
mannelijk (de)/ˈɑŋəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren stekenDe angel van de bij blijft in de steekwond achter.
- vishaakGooi de angel even uit.
Etymologie
* In de betekenis van ‘haak, hengel’ voor het eerst aangetroffen in 1276
Uitdrukkingen
- Iemand aan zijn angel krijgen
- de angel uit iets halen — het moeilijke van een bepaalde kwestie oplossen
Vertalingen
Engelssting, fishhook
Fransdard, hameçon
DuitsStachel, Wehrstachel, Angelhaken
Spaansaguijón, anzuelo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek