Anker
onzijdig (het)/ˈɑŋkər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) onderdeel van een vaartuig dat overboord wordt geworpen om dit vaartuig vast te leggen waar niet aangemeerd kan worden, scheepsankerWe zagen de groteanker van het schip hangen aan de voorplecht.
- (bouwkunde) ijzeren voorwerp om muren, kozijnen en balken onderling te verbinden bijv. muuranker, balkanker, bintanker, blindanker, gevelanker, gripanker, haakanker, klauwanker, kozijnanker, sieranker, spouwanker, steenanker, strijkbalkanker, ankerplaatHet oude gebouw had sierlijk bewerkte muurankers.
- (techniek) boogvormig deel in een uurwerk, dat met zijn beide armen beurtelings tussen de tanden van het schakelrad grijptDe slinger van de klok bracht het anker in beweging.
- (eenheid) (verouderd) oude inhoudsmaat voor wijn en vishandel (35 liter) zie ook kwartankerHij had een paar ankers wijn gekocht om de winter door te komen.
- (natuurkunde) poolstuk, weekijzer plaatje tussen polen van een magneet om sterkteverlies tegen te gaan
- (elektrotechniek) roterend deel van dynamo's en motoren, vaak omwikkeld met geïsoleerd draad ringanker, zie echter ook kooianker
- (spel) afbeelding op het biljartlaken bij het ankerkaderspel
- symbool van hoop, vertrouwen, zekerheidHet kruis is het teken van het geloof, het hart is het teken van de liefde en het anker is het teken van de hoop.Ergens moest ze namelijk een houvast hebben. Een geestelijk anker dat voorkwam dat ze in een donker gat werd gezogen.
Etymologie
*via Middelnederlands """ via Latijn "ancora" van "ἄγκυρα" (ankura), in de betekenis van ‘gestel om schip vast te leggen’ aangetroffen vanaf 1240
Uitdrukkingen
- hij ligt voor anker — hij is overleden
- het anker lichten — ervandoor gaan
Vertalingen
Engelsanchor, anchor plate, wall washer
Fransancre, ancre, ancre de façade
DuitsAnker, Anker, Maueranker
Spaansancla, áncora
Italiaansancora
Turksçapa, çipo, demir
Zweedsankare
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek