Aura

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. energieveld dat mensen en ook andere levende wezens zou omgeven
  2. medisch (medisch) beginverschijnselen van een astmatische of epileptische aanval
  3. figuurlijk (figuurlijk) uitstraling, halo
    Zelfs hier in dit ziekenhuis, waar lief en vooral leed het hoofdbestanddeel van de dag vormden, hing er een aura van onschendbaarheid en onwereldse zelfverzekerdheid om haar heen.
    Ik heb altijd een aura om me heen gehad dat bij mannen wantrouwen opwekt, misschien door mijn voor vrouwen ongebruikelijke postuur en een onbeholpen manier van doen die ik mezelf heb aangeleerd doordat de ruimte die mijn brede torso en lange ledematen nodig hebben altijd werd beperkt door mensen die zeker twee of drie koppen kleiner meten dan ik.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘uitstraling van een persoon’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1832

Vertalingen

Engelsaura, aura
Spaansaura