Baak

mannelijk/vrouwelijk (de)/bak/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) een vuurtoren
  2. scheepvaart (scheepvaart) een vast merk- of herkenningsteken om de koers van een schip of het verloop van vaarwater mee te bepalen
  3. spoorwegen, scheepvaart (spoorwegen) (scheepvaart) een markeringsbord langs waterwegen of spoorwegen
  4. aardrijkskunde (aardrijkskunde) een heuvelrug of hoogte
  5. een lat, gebruikt in combinatie met een waterpasinstrument, met maatverdeling om hoogteverschillen en afstanden te kunnen meten

Etymologie

* In de betekenis van ‘vast merk dat vaarwater aangeeft’ voor het eerst aangetroffen in 1484

Vertalingen

Engelsbeacon
Spaansbaliza