Bent

mannelijk/vrouwelijk (de)/bɛnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (zeldzaam) groep
    Een kleine bent van Indonesische Nederlanders maakt zich nu sterk voor de erkenning van het koloniaal geweld tegen de Indische bevolking tijdens de strijd om de Indonesische onafhankelijkheid.
    Niet alleen „voorlichters" als Pierre Jansen en stichtingen als Openbaar Kunstbezit zorgen voor het artistieke zout in de pap. Ook de plaatselijke bents — en Nederland kent er tientallen — behoeden dat wij de Kunst niet verleren.
    Ik hoor tot geen enkele club en ik haat literaire benten met een volkomen haat, maar als men het jonge Holland al in wil delen, dan moet men de Leidse groep van auteurs van de ‘Rederijkerskamer voor uiterlijke welsprekendheid’ onderscheiden van de Gids-bent uit Amsterdam.
zelfstandig naamwoord
  1. plantkunde (plantkunde) pijpenstrootje, naam van grassoort
werkwoord
  1. tweede persoon enkelvoud van zijn
    Jij bent een kanjer!
    Bent u meneer Jansen?
  2. verouderd (verouderd) tweede persoon meervoud van zijn
    Jullie bent te groot voor iets kinderachtigs.[http://www.dbnl.org/tekst/_gem001193401_01/_gem001193401_01_0101.php {{Aut|Bordewijk, F.

Etymologie

*[B]: via Middelnederlands "bent" van Oudnederlands "binut", in de betekenis van ‘grassoort’ voor het eerst aangetroffen in 918