Bilzekruid

onzijdig (het)/'bɪlzəkrœyt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten, kruid, medisch (bloemplanten) (kruid) (medisch) bepaald soort inheemse gifplant, uit de nachtschadefamilie, met een stinkende geur, kleverige, behaarde en getande bladeren en trechtervormige vuilgele bloemen

Etymologie

* ; Middelnederlands bilsencruut, belsemcruut, samenstelling uit bilse, belse (f) ‘bilzekruid’ (waaruit dial. bilze(n), belze) en cruut ‘kruid’ (waarvoor zie kruid). Het eerste lid stamt uit Keltisch *belisa (vgl. Welsh bele ‘bilzekruid’). Evenzo ontleend zijn Middelnederduits bilse, Duits Bilse (vanwaar Bilsenkraut) en Spaans belesa ‘loodkruid’.

Vertalingen

Engelshenbane
Fransjusquiame
DuitsBilsenkraut
Spaansbeleño
Italiaansgiusquiamo
Portugeesmeimendro
Russischбелена́
Japans菲沃斯
Poolslulek
Zweedsbolmört
Deensbulmeurt