Bosjesman
mannelijk (de)/ˈbɔʃəsˌmɑn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- benaming voor oorspronkelijke bewoners van vlakten en bergen in Zuidelijk Afrika die een van de Khoisantalen sprekenDe Bosjesmannen in zuidelijk Afrika willen graag mee in de moderne tijd, maar hun imago van natuurmens is juist wat toeristen en geldschieters trekt.Uit zijn verhalen blijkt ook dat de eerste mens een Bosjesman was, die al rondliep in een tijd dat de dageraad nog uitgevonden moest worden (…).
Etymologie
*, naar het struikgewas waarin deze mensen leefden
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek