Bougie

vrouwelijk (de)/bu'ʒi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. motortechniek, autotechniek (motortechniek), (autotechniek) het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
    Motoren hebben minimaal één bougie per cilinder.
  2. kaars [1]
  3. medisch (medisch) staafvormig chirurgisch instrument dat wordt gebruikt om een lichaamskanaal (m.n. de urethra) te verwijden
  4. techniek (techniek) smal en onverglaasd potje van gebakken pijpaarde dat wordt gebruikt in bijv. waterfilters

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans. In de betekenis van ‘kaars’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824, in de betekenis van ‘vonkbrug’ voor het eerst in het jaar 1917

Vertalingen

Engelsspark plug
Fransbougie d'allumage
DuitsZündkerze
Spaansbujía
Italiaanscandela
Japans点火プラグ
Poolsświeca zapłonowa