Breeveertien

mannelijk/vrouwelijk (de)/breˈvertin/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. figuurlijk (figuurlijk) spannende of fatale overgang naar een verre bestemming
    {{ouds
  2. figuurlijk (figuurlijk) toestand van grote rijkdom
    U heeft goed riemensnijden van 'en anders leer! Wat denkt u wel? Dat 'et niet op kan? Ho, ho, wacht eens! U zou me de breeveertien laten spelen! Is me dat omspringen met de duizenden!

Etymologie

*van de zandbank "Breeveertien" voor de Hollandse kust die kooplieden moesten passeren als zij uitvoeren naar verre bestemmingen; geschreven met een kleine letter volgens

Uitdrukkingen

  • de breeveertien opgaan
  • de breeveertien op varen
  • de breeveertien op zijn
  • de breeveertien laten waaien
  • de breeveertien spelen
  • de breeveertien uithangen
  • dat gaat over de breeveertien