Broek
vrouwelijk (de)/bruk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhultOok bij de elegante, wijde pantalons met korte jasjes die de afgelopen week voortdurend voorbij kwamen op de catwalks in Milaan en Parijs - het moet raar lopen, wil de broek met rechte, wijde pijpen geen succes worden - gingen de gedachten geregeld naar Lanvin. Lanvin is een referentiepunt geworden in de mannenmode.Milou van Rossum NRC 26 januari 2016Het water werd langzaam bruin en mijn kleren weer schoon. Ik wrong alles uit en hing mijn druipende shirt, sokken en broek op het balkon.Een wijde zwarte broek die onder het lopen opbolde als een matrozenbroek.
- (valkerij) de vederen die de onderbuik en het halve loopbeen bedekken en in rust vaak de hele poot
zelfstandig naamwoord
- (geologie) een drassig/moerassig gebiedVanaf Asten liep vroeger een voetpad door het broek van Asten, Ommel en Vlierden richting Brouwhuis en Helmond.[http://www.heemkundekringdevonder.nl/archieven/redactie/pdf/vonder-22-3.pdf DE VONDER], september 2016
Etymologie
*: брюки
Uitdrukkingen
- De broek aan hebben — de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben
- De eigen broek kunnen ophouden — Zichzelf weten te redeen (m.n. in financieel opzicht)
- De broek lappen en het garen toegeven — Een dienst verlenen die in verhouding tot de opbrengst erg veel tijd en/of geld kost, of waar uitsluitend verlies op wordt gemaakt
- Een te grote broek aanhebben — Een te grote mond hebben, aanmatigend zijn
- Het in zijn broek doen — Erg bang zijn (waarbij men soms ook letterlijk urine/ontlasting verliest)
- Iemand achter de broek (of: veren/vodden) zitten — Iemand nauwlettend in de gaten houden of opjagen
- Iets aan zijn broek krijgen/hebben — Met iets moeilijks, onaangenaams e.d. opgescheept worden/zijn
- Mijn broek zakt ervan af — Uiting van sterke verbazing of van hevige verontwaardiging
Vertalingen
Engelstrousers, pants
Franspantalon
DuitsHose
Spaanspantalón
Italiaanspantalone
Russischбрюки
Japansパンツ
Turkspantolon
Poolsspodnie
Zweedsbyxor
Deensbukser
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek