Claus

vrouwelijk (de)/klɔus/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. laatste woord van een passage waarop een acteur wacht om in te vallen
  2. passage in een toneelstuk die door één acteur zonder onderbreking gesproken wordt

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘passage in toneelstuk’ voor het eerst aangetroffen in 1916