Dijk

mannelijk (de)/dɛik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. waterbeheer (waterbeheer) opgeworpen aarden wal op het land meestal bestemd als waterkering ter directe bescherming van het achterliggende land
    De dijk langs de rivier was erg bochtig.
    Stil en ongenaakbaar stonden de eenzame bomen voor de hoge nieuwe dijk die de Grevelingen aan het zicht onttrok, hun kale takken scherp afgetekend tegen de grijze winterlucht.
    Vanaf de dijk was het onduidelijk of het Hoge Huis werd bewoond, de gordijnen voor het raam waren bijna helemaal dichtgetrokken.
  2. figuurlijk (figuurlijk) bescherming tegen onheil
    We zijn niet arm, maar de suiker vormt een dijk tegen de stijgende golven.
  3. kunstmatig aangelegde, hoger gelegen, rechte weg door een (voormalig) moerassig gebied, moerdijk (?)
    De spoorweg was op een dijk gebouwd
zelfstandig naamwoord
  1. lhbt, informeel (lhbt) (informeel) mannelijk ogende lesbienne

Etymologie

*[B] vermoedelijk van Amerikaans "dyke"

Uitdrukkingen

  • Aan de dijk gezet wordenAfgedankt, ontslagen worden
  • Dat zet geen zoden aan de dijkDaar schieten we niets mee op
  • Wie niet dijken wil moet wijkenMen moet kiezen of delen
  • Een kerel als een dijkEen stevige kerel [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0427.phpv423 www.dbnl.org]

Vertalingen

Engelsdyke, dike
Fransdigue
DuitsDeich
Spaansdique
Portugeesdique