Fibula
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfibyla/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) (geschiedenis) speld om kleren bij elkaar te houdenTweeduizend jaar lang bloeide de kunst van de fibula: de kledingspeld waarmee mantels en, jurken werden dichtgehouden. Tot in de elfde eeuw een nieuwe uitvinding doorbrak: de knoop. In Nederland alleen zijn er al 25.000 fibula’s teruggevonden.
- (anatomie) lang bot in het onderbeen, naast het scheenbeenDe fibula is met het onderste deel van het scheenbeen verbonden bij de laterale gewrichtsknobbel van het scheenbeen.
Etymologie
*van Latijn "fibula"
Vertalingen
Fransfíbula
Spaansfíbula, fíbula
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek