Flux

mannelijk (de)/flʏks/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. stroom, stroming, vloed
    Zoodat in den gewonen gang der tijden en voor de middelmatige menschen deze flux en reflux van symboliek en realisme even belangrijk zijn en vrijwel hetzelfde beteekenen: de drang naar bewustwording en begrip van het leven.
  2. natuurkunde, elektrotechniek (natuurkunde) (elektrotechniek) de hoeveelheid doorstroom door een oppervlak (aantal krachtlijnen dat loodrecht door een oppervlakte-eenheid gaat)
    'flux', magnetische flux, krachtlijnen van een magneet
  3. metallurgie, elektronica (metallurgie), (elektronica) een zout of hars met een laag smeltpunt dat gebruikt wordt om oxidatie tijdens het solderen te verhinderen, soldeerflux
    Mijn flux is op; ik moet nieuwe halen.

Etymologie

*via "flux" en "flux" uit het Latijn fluxus; het citaat onder [1] lijkt op een Franse herkomst te duiden, het citaat onder [2] op een Engelse; beide citaten geven aan dat flux al eerder werd gebruikt dan 1950 waar Van Dale Etymologisch woordenboek het in 1997 op hield

Vertalingen

Engelsflux, flux, rosin flux
Fransflux, flux de brasage
DuitsFluss, Flussmittel
Spaansflujo, flujo