Flux
mannelijk (de)/flʏks/
Wat is de betekenis van Flux?
Flux betekent: stroom, stroming, vloed
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- stroom, stroming, vloed
- (natuurkunde) (elektrotechniek) de hoeveelheid doorstroom door een oppervlak (aantal krachtlijnen dat loodrecht door een oppervlakte-eenheid gaat)
- (metallurgie), (elektronica) een zout of hars met een laag smeltpunt dat gebruikt wordt om oxidatie tijdens het solderen te verhinderen, soldeerflux
Voorbeelden van "Flux" in een zin
- Zoodat in den gewonen gang der tijden en voor de middelmatige menschen deze flux en reflux van symboliek en realisme even belangrijk zijn en vrijwel hetzelfde beteekenen: de drang naar bewustwording en begrip van het leven.
- 'flux', magnetische flux, krachtlijnen van een magneet
- Mijn flux is op; ik moet nieuwe halen.
Etymologie
*via "flux" en "flux" uit het Latijn fluxus; het citaat onder [1] lijkt op een Franse herkomst te duiden, het citaat onder [2] op een Engelse; beide citaten geven aan dat flux al eerder werd gebruikt dan 1950 waar Van Dale Etymologisch woordenboek het in 1997 op hield
Vertalingen
Engelsflux, flux, rosin flux
Fransflux, flux de brasage
DuitsFluss, Flussmittel
Spaansflujo, flujo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek