Fuik

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. visserij (visserij) een langwerpig, korfvormig visnet dat in een punt toelopend is
    De fuik wordt vaak gebruikt bij het vissen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) hinderlaag, val
    De politie zet een fuik op.
    Mijn onzekerheid werd steeds intenser en instinctief had ik nog maar één behoefte: vluchten, weg uit de bergen. Ik voelde me als een vis in een fuik, gevangen in een diepe vallei, omsingeld door hoge bergen met geen enkel teken van beschaving in de buurt.

Etymologie

* (erfwoord): Naast Eupens voek ‘vrouwenrok’; Middelnederlands fu(e)ke, vuycke ‘fuik; ruim kleed’, ontwikkeld uit Oergermaans *fūkōn-, afgeleid uit het ww. *fūkan- ~ *feukan- (waaruit verouderd fuiken ‘stoten, duwen’ en Nynorsk fyka, fyke ‘snel door de lucht gaan, opjagen’), terugvorming uit het iteratief *fuk(k)ōn- ‘blazen’, waartoe Middelnederlands vocken ‘waaien’ behoort. Dit werkwoord gaat terug op de Indo-Europese wortel *pug-, waartoe Lets pūga ‘windstoot, bui’ en Armeens pʿukʿ (փուք) ‘adem’ behoren. Evenals Nederduits Fuuk en Fries fûke.

Uitdrukkingen

  • In de fuik lopen (of:) zwemmenAls gevolg van eigen blindheid/onoplettendheid in een valstrik lopen