Gors
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣɔrs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) benaming voor vogels uit de familie
zelfstandig naamwoord
- (waterbeheer) buitendijks aangeslibd land, dat bij gewone vloed niet meer onderloopt
Etymologie
*[B] van Middelnederlands "gorse", in de betekenis van ‘buitendijks land’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1339
Vertalingen
Engelsbunting, sparrow, salt marsh
Fransbruant
DuitsAmmer, Salzwiese
Spaansescribano hortelano
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek