Grietje

/ˈɣricə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) bepaald zeil op een zeilschip: bramzeil van de bezaansmast

Etymologie

*[2] (eponiem) dat verwijst naar Grietje van Dijk, een vrouw die volgens de overlevering op het schip Den Eik als kruisraasgast zou hebben gewerkt