Helhond

mannelijk (de)/ˈhɛlhɔnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mythologie (mythologie) monsterachtige hond met bovennatuurlijke eigenschappen
    Buiten zag hij een zwart beest met een paar gloeiende ogen op zich afkomen. Het sprong tussen zijn benen en lichtte hem als een veertje van de grond. De wind suisde langs zijn oren. Met de dronkeman op zijn rug vloog de helhond over de weg.
  2. zeer strenge, aggressieve bewaker
    Van der Laan zei dat het college 'als een helhond bewaakt' dat de motorclub geen andere plek krijgt in de hoofdstad. Het Parool 8 december 2011 [https://www.parool.nl/nieuws/hells-angels-krijgen-geen-nieuwe-plek-in-amsterdam~b4565e89/ 'Hells Angels krijgen geen nieuwe plek in Amsterdam']
    Servet heeft ook vreselijke dingen over de orthodoxe triniteitsleer gezegd. Hij noemde die een „monsterlijke helhond met drie koppen” en beschouwde de wijze waarop deze leer in de geloofsbelijdenis van Nicea is vastgelegd als een van de tekenen dat het rijk van de antichrist toen was aangebroken. Reformatorisch Dagblad A. Baars 4 mei 2005 [https://www.rd.nl/opinie/ketterij-en-grammatica-1.40698 Ketterij en grammatica]
  3. ruziezoekend, strijdbaar, scheldend persoon
    Du Perron met zijn heftigheid van onverbloemde kritiek, zijn afschuw van middelmatigheid en domheid, van ‘Jan Lubbes’, een bijtende helhond die zich op onze literatuur wierp. Zijn polemieken, pamfletten, scheld- en spotverzen doen er evenwel niets aan af dat hij een grootmoedig man was, warmte en enthousiasme uitstralend, zonder dat het zijn kritische zin deed verdampen.

Vertalingen

Engelshell-hound