Jade

/ˈjadə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mineralogie (mineralogie) siersteen bestaande uit jadeïet of nefriet
    Jade kent veel verschillende kleuren: groen, bruin, zwart of wolkenwit, van zeer licht tot zeer donker.
  2. kleur (kleur) helder groen met een blauwe of grijze tint, zoals van de gelijknamige siersteen
    Het was eindelijk rustig op zee. Geen witwaterkoppen die zich woest lieten waaien, geen klimgolven in helder jade, maar zandig lichte plekken en donker smaragd, gegroefd door een luchtig briesje.

Etymologie

* van "jade", in de betekenis van ‘kostbaar gesteente’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1832