Jonas

mannelijk (de)/ˈjonɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon (persoon) onnozel persoon die veel tegenslag heeft
    Het gevaar dat hij de jonas van het toernooi zou worden, waar Magnus Carlsen in het begin een vileine grap over had gemaakt, was geweken.

Etymologie

* "jonassen" zonder de uitgang -en