Kas
mannelijk/vrouwelijk (de)/'kɑs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tuinbouw) een doorzichtige en meest glazen constructie die het cultiveren mogelijk maakt van planten die een ander klimaat vergen dan buiten heerstHet Westland heet vanwege zijn vele kassen ook wel de Glazen Stad.
- omhulsel waarin iets is opgesloten (-> borstkas, oogkas, tandkas)
- de bak die het ontvangen geld bevatIn onze winkel is ieder personeelslid verantwoordelijk voor zijn eigen kas.
- (figuurlijk) (financieel), (economie) de liquide middelen van een organisatieWe hebben op het moment niet zoveel geld in kas.
- in sommige gevallen afkorting van kast (-> windkas)
Etymologie
* [3][4] Uit ouder cassa, casse, kas in de betekenis van “geldkist, geldkoffer”, ontleend aan Italiaans "cassa" “geldkist” (uit Latijn "cassa") voor het eerst aangetroffen in 1543.
Uitdrukkingen
- krap bij kas zitten — te weinig geld bezitten
Vertalingen
Engelsmoney box, money-box, till
Fransserre
DuitsKasse, Gewächshaus, Treibhaus
Spaanscaja, invernáculo, invernadero
Italiaansserra
Russischкасса, теплица
Poolsszklarnia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek