Kiekendief
mannelijk (de)/ˈkikə(n)ˌdif/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (havikachtigen) benaming voor slanke, middelgrote, valkachtige dagroofvogels met lange staart en vleugels uit de onderfamilie
- benaming voor roofvogels uit het geslacht
- iemand die honders steelt
Etymologie
*, in de betekenis van ‘roofvogel’ aangetroffen vanaf 1573
Vertalingen
Engelsharrier
Fransbusard
DuitsWeihe
Spaansaguilucho
Italiaansalbanella
Portugeestartaranhão
Russischлунь
Poolsbłotniak
Zweedskärrhök
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek