Knorren
/'knɔrə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (dierengeluid) een geluid voortbrengen zoals een varken
- (inerg) misnoegen, ontevredenheid uiten op boze wijze
- (informeel) snorken, snurken
Etymologie
* In de betekenis van ‘het natuurlijke geluid van varkens maken’ voor het eerst aangetroffen in 1470
Uitdrukkingen
- het knorren van de maag — honger hebben
Vertalingen
Engelssnore
Fransgrogner
Duitsgrunzen
Spaansgruñir, roncar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek