Kola
mannelijk (de)/ˈkola/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) benaming voor bomen uit het geslacht , tropische bomen die kolanoten leveren
- (medisch) (drinken) aftreksel van kolanoten
Etymologie
* Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘een West-Afrikaanse noot’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1623
Vertalingen
Spaanscola, kola
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek