Kompas

onzijdig (het)/kɔmˈpɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) instrument [1] waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
    Behalve digitale kaarten op mijn telefoon droeg ik ook papieren kaarten en een kompas met me mee, maar al na een aantal weken gooide ik alle papieren kaarten weg om gewicht te sparen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) richtlijn, richtsnoer, iets wat als toonaangevend voorbeeld moet dienen
    Een moreel kompas.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘instrument dat de windstreken aanwijst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1384

Vertalingen

Engelscompass
Fransboussole
DuitsKompass
Spaansbrújula, compás
Italiaansbussola
Portugeesbússola, compasso
Russischкомпас
Turkspusula
Poolskompas
Zweedskompass
Deenskompas