Krokus
mannelijk (de)/ˈkrokʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald geslacht uit de lissenfamilie (), dat 90 soorten omvat, waarvan circa een derde deel herfstbloeiers zijn
Etymologie
*via het Latijn "crocus" van "κρόκος" (krókos), in de betekenis van ‘plantengeslacht’ aangetroffen vanaf 1591
Vertalingen
Engelscrocus
Franscrocus
DuitsKrokus
Spaanscroco
Italiaanscroco
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek