Kunnen
/ˈkʏnə(n)/
Wat is de betekenis van Kunnen?
Kunnen betekent: (modl), (ov), (inerg) in staat zijn, het vermogen hebben tot iets
Betekenis
werkwoord
- (modl), (ov), (inerg) in staat zijn, het vermogen hebben tot iets
- (modl) het intrinsieke vermogen, de eigenschap, aanleg, neiging, geschiktheid e.d. voor iets bezitten
- (modl) mogelijkerwijs in een bepaalde veronderstelde toestand verkeren
- (modl) in de gelegenheid zijn
- (onpr) mogelijk zijn
- (modl), (pregnant) zichzelf tot verbazing van de spreker ergens toe weten te zetten
- (modl), (pregnant) drukt het geoorloofd, betamelijk, gepast e.d. van iets zijn uit
- (modl) ± mogen [1]/moeten
- (ov), (informeel) kennen (deze oorspronkelijke betekenis werd in het Noord-Nederlands al vanaf de 17e eeuw door "kennen" verdrongen)
Voorbeelden van "Kunnen" in een zin
- Dat kan hij best.
- Kun je niet slapen?
- De motor kan vaak meer dan dat je denkt.[http://www.moto-sportivo.nl/Mototalk/verhalen/Steppie%20aan%20de%20grond.html Steppie aan de grond.....], Moto Sportivo
- Pas op, dat kan breken.
- Ik kon niet alles goed volgen, maar het monotone geluid van stemmen om mij heen voelde veilig en vertrouwd.
Etymologie
:Latijn: gnōscere
Uitdrukkingen
- bergen kunnen verzetten — veel (in hoeveelheid) werk kunnen doen
- de eigen boontjes kunnen doppen — andermans hulp niet nodig hebben of vinden
- de toets der kritiek kunnen doorstaan — aan alle eisen voldoen
- de zon in het water kunnen zien schijnen — blij kunnen zijn met de voorspoed van een ander, niet jaloers zijn
- door een ringetje kunnen halen — er goed verzorgd uit zien
- een potje kunnen breken bij — niet gauw boos maken
- een puntje kunnen zuigen aan — een voorbeeld kunnen nemen aan
- een schop van een ezel kunnen verdragen — kunnen verdragen dat iemand zonder verstand van zaken kritiek geeft
Vertalingen
Engelscan, be able to
Franspouvoir
Duitskönnen, weg können
Spaanspoder
Italiaanspotere
Poolsmóc
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek