Laken

/ˈlakə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. materiaalkunde, textiel (materiaalkunde), (textiel) wollen stof, die eerst is geweven en daarna vervilt
  2. textiel, huishouden (textiel), (huishouden) rechthoekig stuk stof, bijvoorbeeld ter bedekking bij het slapen
    Doe je het laken op je bed?
    In de keuken hing een laken over het schilderij, want niemand mocht het van hem zien voordat het af was.
    Het witte laken ligt verfrommeld naast hem.
werkwoord
  1. ov (ov) verwijten uiten over
    Zijn gedrag werd gelaakt door de commissie.

Etymologie

*: (erfwoord) via Middelnederlands """ van Oudnederlands "lakan", in de betekenis van ‘mantel’ aangetroffen vanaf 1100; vergelijk "lachan"

Uitdrukkingen

  • tussen de lakens duikenseks met elkaar hebben

Vertalingen

Engelsbroadcloth, sheet, rebuke
Fransdrap
DuitsWalkstoffe, Laken
Spaanssábana, censurar, desaprobar
Italiaanslenzuolo
Turksçarşaf
Deensafvise