Laken
/ˈlakə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (materiaalkunde), (textiel) wollen stof, die eerst is geweven en daarna vervilt
- (textiel), (huishouden) rechthoekig stuk stof, bijvoorbeeld ter bedekking bij het slapenDoe je het laken op je bed?In de keuken hing een laken over het schilderij, want niemand mocht het van hem zien voordat het af was.Het witte laken ligt verfrommeld naast hem.
werkwoord
- (ov) verwijten uiten overZijn gedrag werd gelaakt door de commissie.
Etymologie
*: (erfwoord) via Middelnederlands """ van Oudnederlands "lakan", in de betekenis van ‘mantel’ aangetroffen vanaf 1100; vergelijk "lachan"
Uitdrukkingen
- tussen de lakens duiken — seks met elkaar hebben
Vertalingen
Engelsbroadcloth, sheet, rebuke
Fransdrap
DuitsWalkstoffe, Laken
Spaanssábana, censurar, desaprobar
Italiaanslenzuolo
Turksçarşaf
Deensafvise
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek