Lens

mannelijk/vrouwelijk (de)/lɛns/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. optica (optica) een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
  2. fotografie (fotografie) een stelsel van lenzen(1) of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
    Met welke lens ga je die foto nemen?
  3. optica (optica) een zeer kleine glazen of kunststof lens(1) die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril.
    Lenzen staan je veel beter dan een bril!
  4. verouderd (verouderd) een langgerekt wapen waarmee walvissen doorstoken werden
  5. anatomie (anatomie) deel van het oog dat de lichtstralen breekt
  6. pen, spie

Etymologie

*mogelijk via "lens" van "lens" "linze", vanwege de overeenkomst in vorm

Vertalingen

Engelslens, lens, lens
DuitsLinse, Linse, Kontaklinse
Spaanslente, objetivo, lente de contacto