Liguster
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) een geslacht van planten uit de olijffamilie () waartoe onder ander de wilde liguster en de haagliguster behoren. Ze komt van nature voor op alle continenten behalve Amerika. Na invoer gedraagt liguster zich daar als invasieve exoot en wordt bestredenVooral de voortuinen dienen er in onze wijk een beetje knap uit te zien. Wie een sik krijgt van het heggenknippen, vervangt de liguster door een lelijk hekwerk dat gelukkig weldra aan het oog wordt onttrokken door snelgroeiende doch makkelijk te onderhouden klimop. Volkskrant CÉCILE NARINX 24 juli 2013Ze wijzen meewarig naar de overkant, waar een alleenstaande vrouw met kinderen woont die altijd de rolgordijnen gesloten houdt. Het is een hang naar privacy die ze niet begrijpen, dezelfde privacy waarop hun buren zich beroepen als zij hen aanspreken op de hoogte van de ligusterheg. Die heggen moeten laag gesnoeid zijn, vinden Boukje en Henk, anders ben je een monumentale buurt niet waard. NRC Arjen Schreuder 30 december 2002
Etymologie
*Leenwoord uit Latijn ligustrum ‘zekere heester’.
Vertalingen
Engelsprivet
Franstroène
DuitsLiguster, Rainweide
Spaansalheña, aligustre
Italiaansligustro
Portugeesalfeneiro
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek