Lokken

/ˈlɔkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) mens of dier verleiden ergens heen te komen
    De eenden werden door een lokeend in de kooi gelokt.
    Nella is ervan overtuigd dat de miniatuurmaakster hier is geweest, en ze kan zich niet voorstellen dat de vrouw haar naar zich toe zou lokken en haar vervolgens in de steek zou laten.
  2. als eerste deel van samenstellingen
  3. jachttaal (jachttaal) in jagerstermen voor datgene waarmee wild wordt aangetrokken
  4. juridisch (juridisch) bij een voorwerp dat als aantrekkelijk doelwit voor misdadigers moet dienen
  5. juridisch (juridisch) bij een persoon die als aantrekkelijk slachtoffer of contact voor misdadigers moet dienen

Etymologie

*[2] Als productief, eerste element in samenstellingen, gevormd naar de voorbeelden lokaas, lokvogel.

Vertalingen

Engelslure, decoy
Fransleurrer, à appât
Duitsanlocken, Lock-
Zweedslocka
Deenslokke