Lot
onzijdig (het)/lɔt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- toevalskans of teken daarvan
- noodlot, datgene wat het toeval iemand toebedeeltZij lieten hem aan zijn lot over.Tijdens het lopen beluisterde ik veel audioboeken en ik was erg geïnspireerd geraakt door het verhaal van Malala, het 13-jarige meisje uit Pakistan waarin ze het lot beschrijft van meisjes die van het Taliban-regime niet naar school mogen.
- (spel) bewijs van deelname aan een loterijHij heeft een aantal loten in de staatsloterij gekocht.
- (handel) vastgelegde hoeveelheid van iets
- (dierkunde) verzameling exemplaren van een bep. diersoortEen lot koeien.
- (Vlaams) kavel, perceel
- (economie) belasting [1] die vooral vroeger werd geheven op woningen en boerderijen
zelfstandig naamwoord
- nieuw gegroeide tak aan een boom
Etymologie
* [B] Van het Oudnederlandse *lōt, variant op loot
Uitdrukkingen
- [2] "noodlot"
- Zich in zijn lot schikken — Zich neerleggen bij een nadelig uitgevallen situatie
Vertalingen
Engelsdestiny, fate
Franssort
DuitsLos, Schicksal
Spaansdestino, hado
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek