Manilla

mannelijk/vrouwelijk (de)/maˈnɪla/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geurig soort tabak die op de Filipijnen wordt verbouwd
    Men rookt portorico, cuba, havanna, manilla, braziel: een minder fijne tabaksoort is amersfoort (amersfoorder), uit Klaasje Zevenster bekend.
  2. sigaar gemaakt uit een geurig soort tabak die op de Filipijnen wordt verbouwd
    Maar zegt u eens, wilt u roken? Een lichte manilla?
     't Rimpelend water spiegelt haar week:Met haar voetjes in de ondiepe beekVoeren de golfjes guerilla. Op een steen zit haar echtgenoot,Ziet haar spelen, ergert zich doodEn zuigt op zijn manilla.
    In gewone omstandigheden overrompel ik dat bediendenvolkje met een sigaar. (…) Krikkel en kort aangebonden, verzuimde ik ditmaal mijn gebruikelijke politiek van de manilla: de muts stond mij te verkeerd!
zelfstandig naamwoord
  1. vezels gewonnen uit de abaca , die sterk zijn en goed tegen zeewater kunnen
    Stoomtouwslagerijen (in Oudewater in 1882) deden met nieuwe technieken en andere, exotische, grondstoffen als manilla en sisal, hun intrede.
  2. touw gemaakt uit vezels van de abaca
    Ook in het touwwerk vond hij verscheidenheid, het oude, veelgeteerde van hennepgaren, splinternieuw manilla, een zeker helderwit slag dat hij nooit gezien had.

Etymologie

**[B]: omdat de abaca op de Filipijnen wordt verbouwd