Mark

mannelijk (de)/mɑrk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. financieel (financieel) naam voor verschillende munteenheden gebruikt in Bosnië en Herzegovina en tot de invoering van de euro in Duitsland en Finland
    Ik heb nog een paar oude markjes bewaard.
zelfstandig naamwoord
  1. leenstelsel (leenstelsel) een leen dat grensde aan het gebied van een ander rijk, meestal bestuurd door een markgraaf of markies
    De naam Denemarken maakt duidelijk dat dit gebied een mark was aan de grens met de Franken.
  2. landbouw (landbouw) een ongecultiveerd stuk land in gemeenschappelijk bezit

Etymologie

*[B] In de betekenis van ‘grens’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 792