Mark
mannelijk (de)/mɑrk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (financieel) naam voor verschillende munteenheden gebruikt in Bosnië en Herzegovina en tot de invoering van de euro in Duitsland en FinlandIk heb nog een paar oude markjes bewaard.
zelfstandig naamwoord
- (leenstelsel) een leen dat grensde aan het gebied van een ander rijk, meestal bestuurd door een markgraaf of markiesDe naam Denemarken maakt duidelijk dat dit gebied een mark was aan de grens met de Franken.
- (landbouw) een ongecultiveerd stuk land in gemeenschappelijk bezit
Etymologie
*[B] In de betekenis van ‘grens’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 792
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek