Marter
mannelijk (de)/ˈmɑrtər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (roofdieren) benaming voor zoogdieren uit het geslacht , met een lange staart en een meestal bruine pels
Etymologie
* via Middelnederlands "marter" van "martre", in de betekenis van ‘marterachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1343
Vertalingen
Engelsmarten
Fransmartre
DuitsMarder
Spaansmarta
Italiaansmartora
Portugeesmarta
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek