Mik
mannelijk (de)/mɪk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- handeling van het ergens op richten
- iets waarom gericht wordt
- begin van een beweging
zelfstandig naamwoord
- (voeding) een zwaar soort brood van in linnen zakjes gekookt ongezift roggemeel
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) deel van een maststrijksysteem waarop de mast in gestreken stand rustIn gestreken stand rust de mast in de mik.
- Zuid-Afrikaans Nederlands paal met uitsteeksels waaraan lijken van veroordeelden opgehangen werden{{ouds
zelfstandig naamwoord
- handel, spul, zooiIk weet niet wat ik met deze mik aanmoet.
Etymologie
*[D] mogelijk een (verkorting) van "mikmak"
Uitdrukkingen
- kik noch mik geven — levenloos zijn, geen geluid of beweging maken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek