Mink
mannelijk (de)/mɪŋk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (roofdieren) bepaald zoogdier, , meer verwant aan de zeemink dan aan de Europese nerts, is de voornaamste leverancier van nertsbont
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘kostbaar bont’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1968
Vertalingen
Engelsmink
Fransvison
DuitsNerz
Spaansvíson
Italiaansvisone
Portugeesvisone
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek