Munt
mannelijk/vrouwelijk (de)/mʏnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) een geslacht van vaste planten uit de lipbloemenfamilie (). Ze hebben sterk geurende stoffen (menthol) die gebruikt worden in diverse producten als smaak- en geurstof, bijvoorbeeld in snoep, thee en tandpasta. De muntolie wordt met name gewonnen uit pepermunt en aarmunt. In de supermarkt of bij de groenteboer wordt meestal aarmunt verkocht
- (kruid) sterk aromatische blaadjes van waarvan muntthee wordt getrokken en die als keukenkruid wordt gebruiktMijn tong speelt nog wat met de stukjes munt die ik door de cacao heb gemengd.
- (numismatiek) geldstukHaar gezicht is een bleke munt en ze kijkt met een vreemde, kalme blik naar beneden.'Ik verberg een munt in het beslag en degene die daarop bijt, is de rest van de dag de baas ' Otto lacht, een geluid met een bittere ondertoon.
- instelling waar geld gemunt wordt
- (numismatiek) muntzijde van geldstukKop of munt?Een onpartijdige gooit een gulden omhoog en ik roep 'munt' en hij komt ook op munt te liggen, dus ben ik de winnaar.
- geldsoortde Duitse mark was een heel sterke munt
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘plantengeslacht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- Kop of munt gooien — Iets door het lot laten bepalen
- Ergens munt uit slaan — Ergens van profiteren
- klinkende munt — contanten: letterlijk in muntstukken die geluid maken als ze tegen elkaar tikken
Vertalingen
Engelsmint, coin, tails
Fransmenthe, pile
DuitsMinze, Münze, Zahl
Spaansmenta, hierbabuena, cruz
Italiaansmenta
Portugeesmentha
Russischмята, решка
Chinees薄荷
Japansハッカ属
Koreaans멘타
Arabischنعناع
Turksnane, demir para, madeni para
Poolsmięta
Zweedsmyntur
Deensmynte
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek