Oever
mannelijk (de)/ˈuvər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (waterbeheer) een rand van kanaal, rivier of meerWat een deceptie toen ik druipend de oever opklom en ontdekte dat er zich een familiecamping naast het meer bevond: dit was niet de wildernis die ik had verwacht.
Etymologie
*(erfwoord): Middelnederlands uuer, uuere, ontwikkeld uit Oergermaans *ōbera-, bij Indo-Europees *h₂éh₁-per-o-s waartoe ook Oudgrieks ḗpeiros ‘oever, vasteland’ en misschien Oudarmeens apʻn ‘kust’ behoren. Evenals Nederduits Över, Duits Ufer, Fries ouwer, oere en Oudengels ōfer.
Vertalingen
Engelsbank, shore
DuitsUfer
Spaansorilla, ribera
Russischберег
Poolsbrzeg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek