Piccolo
mannelijk (de)/ˈpikoˌlo/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziekinstrument) een blaasinstrument, sopranino-dwarsfluit, wordt zoals de dwarsfluit bespeeld door dwars over het mondstuk te blazen
- (muziekinstrument) een klein soort mondharmonica met minder aanblaasgaten en tongen dan een normale mondharmonica
- (beroep) lift- en loopjongen in een hotelDe eerste die ik sinds lange tijd sprak, afgezien van de weinige afgemeten woorden die ik aan het begin en het einde van de rit had gewisseld met mijn norse taxichauffeur, was een magere, donkere jongen in het nostalgische rode uniform van een piccolo. {{Aut|Pfeiffer, Ilja Leonard
Etymologie
* Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘hoteljongen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1914
Vertalingen
Engelspiccolo, pageboy
Franspicollo, groom, chasseur
DuitsPikkoloflöte
Spaanspiccolo
Italiaansottavino
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek