Pool
mannelijk/vrouwelijk (de)/pol/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (aardrijkskunde) uiteinde van een draaiingsas, met name van de aardasAan de polen van de aarde is het zes maanden licht en zes maanden donker.
- (natuurkunde) een van beide einden van een (elektro-)magneet of antenneBij de pool komen de veldlijnen het dichtst bij elkaar.
- (elektrotechniek) de aansluitpunten van een elektrisch toestel, snoer of netwerkEen accu heeft twee polen.
- (wiskunde) een uitzonderlijk punt waar een functie naar oneindig neigt1=De functie 1/(x-1) heeft een pool voor x=1.
- (wiskunde), (landmeetkunde) het referentiepunt in een polair coördinatenstelsel vanwaaruit de positie van een ander punt wordt bepaald door afstand (voerstraal) en richting (hoek t.o.v. een refentierichting)Als pool kent men in een cartesisch coördinatenstelsel de oorsprong.
zelfstandig naamwoord
- (textielindustrie) een van de vele opstaande draden of noppen van een tapijt of kleedEen kleed met geknoopte polen.
zelfstandig naamwoord
- (kleding) een lang model duffelse overjas
zelfstandig naamwoord
- gezamenlijke pot met geld waarin personen of organisaties winsten, markten, risico's en meer inbrengen en verdelenVoor bedrijven is een pool een vorm van economische samenwerking.
- (spel) biljartspel lijkende op snooker
Etymologie
*[D] van """ "gemeenschappelijk fonds", in de betekenis van ‘voetbalpool’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1949
Vertalingen
Engelspole, pole, pole
Franspôle
DuitsPol
Spaanspolo, polo, polo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek