Prunus

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. boom horend tot de rozenfamilie; sierkers met in het vroege voorjaar rode of roze bloesems
    Om de vijver een reden te geven om te meanderen, heb ik er twee bomen langs geplant. Zo lijkt het alsof de vijver is moeten uitwijken voor die bloeiende bomen: een prunus sargentii ‘Charles Sargent’ en een prunus yedoensis.’ de Standaard 14 AUGUSTUS 2015 Eline Maeyens
    De smaak van de vruchten aan oude pruimenboom krijgen we nooit terug als deze prunus zijn tijd heeft gehad. De entdag bij Erve Brooks biedt deze zaterdag uitkomst. Johan Hengeveld uit Aalten is boomkweker en kloont gewoon een takje op de ‘wortel’ van een andere pruim, een ‘ongeslachtelijke vermeerdering’ in vakjargon. Tubantia 04-maart-2012

Etymologie

* pruimachtige

Vertalingen

Engelsprunus