Roer
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vlak waarmee de besturing van een schip of een vliegtuig geregeld wordt
- stuurmiddel van een schip
- lokvogel.
- de buis van een pijp (om te roken)
- geweer
Etymologie
* In de betekenis van ‘stuur van schip’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- Aan het roer staan — De leiding in handen hebben
- Goed naar het roer luisteren — Het schip is gemakkelijk bestuurbaar
- Het roer in handen hebben / houden — De zaak (blijven) besturen
- Het roer moet om — Het beleid moet op de schop, het beleid moet veranderen
- Het roer is van het schip — Er is geen orde/sturende leiding meer
- Het roer aan de scheg hangen — De zaak verkeerd aanpakken
- Hou je roer recht — Let op hoe je loopt, loop rechtuit
- Uit het roer lopen — (v.e. schip) Niet meer naar het roer luisteren, onbestuurbaar raken
Vertalingen
Engelsrudder, helm, decoy
Fransgouvernail
DuitsRuder
Spaanstimón
Italiaanstimone
Russischруль, руль, штурвал
Poolsster
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek