Rogge
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈrɔɣə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaalde graansoort, enige soort in het geslacht , vooral geteeld om er roggebrood en ontbijtkoek van te maken; in Ierland en de Verenigde Staten ook voor de productie van whisky
- (graan) zaad van rogge
Etymologie
**( "rŭžĭ" (f))
Vertalingen
Engelsrye
Fransseigle
DuitsRoggen
Spaanscenteno
Italiaanssegale
Portugeescenteio
Russischрожь
Chinees黑麥, 黑麦
Japansライムギ
Koreaans호밀
Arabischشيلم مزروع
Turksçavdar
Poolsżyto
Zweedsråg
Deensrug
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek