Rogge

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈrɔɣə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) bepaalde graansoort, enige soort in het geslacht , vooral geteeld om er roggebrood en ontbijtkoek van te maken; in Ierland en de Verenigde Staten ook voor de productie van whisky
  2. graan (graan) zaad van rogge

Etymologie

**( "rŭžĭ" (f))

Vertalingen

Engelsrye
Fransseigle
DuitsRoggen
Spaanscenteno
Italiaanssegale
Portugeescenteio
Russischрожь
Chinees黑麥, 黑麦
Japansライムギ
Koreaans호밀
Arabischشيلم مزروع
Turksçavdar
Poolsżyto
Zweedsråg
Deensrug