Rozijn

mannelijk/vrouwelijk (de)/roˈzɛin/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) bepaalde variant van de druivenplant, , met kleine vruchtjes
  2. voeding (voeding) kleine gedroogde vruchtjes van
    Korinthische rozijnen uit Griekenland zijn zwart, kurkdroog, pitloos en hebben een pepersmaak. Turkse rozijnen uit Smyrna zijn lichtbruin en zonder pit. Het vruchtvlees is zacht en heeft een muskaatsmaak. Rozijnen uit Malaga komen uit Andalusië, zijn wit of zwart van kleur en bevatten weinig pitten
    Elke doos bevatte ontbijtrepen, noten, rozijnen, tortillas en noodles, aangevuld met wc-papier en pillen zoals vitamines en visolie.

Etymologie

*via Middelnederlands "rosine" en "rosin" van "resin" "druif", in de betekenis van ‘gedroogde druif’ voor het eerst aangetroffen in 1288

Vertalingen

Engelsraisin
Fransraisin sec
DuitsRosine
Spaanspasa, pasa uva