Ruisvoorn
mannelijk (de)/ˈrœysforᵊn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (straalvinnigen) bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt,
Etymologie
*, in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in 1710
Vertalingen
Engelsrudd
Fransrotengle
DuitsRotfeder
Spaansgobio
Russischкраснопёрка
Deensrudskalle
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek